
Column Jan Zwemer: Dierentuin Torentijd
Algemeen 229 keer gelezenHet kwam ‘overlesten’ ter sprake: dat Dauwendaele toch maar onaantrekkelijk wonen is. Ik heb er gewoond – van 1995 tot begin 1998 – en kon erin komen. Een tiener laat de hond van zijn ouders loslopen en in de mouw bijten van mijn leren jasje (ik was zeker ‘verdacht’) zonder zelfs maar excuses te maken. Op een gegeven moment druipt zoetgeurend water van de muur: de bovenburen hadden een professionele, maar lekkende, wietplantage. Verder was het er saai, behalve bij het frietkot.
‘Maar ik heb er wel iets heel moois meegemaakt’, zei ik, ‘dat ik ergens anders nooit had kunnen meemaken. Het was fantastisch mooi.’ Je had er een bewaarplaats voor niet–oppassende lieden. Torentijd was er nog maar een paar jaar. Veel communicatie ging nog mondeling, niet via een schermpje. Ik heb het meegemaakt dat een bakvis van een jaar of dertien (ze moet nu half de veertig zijn) al roepend héél interessante gesprekken had met een ingesloten Torentijdenaar. Spannend natuurlijk en pa en ma wisten het vast niet.
Het mooiste was echter op vrijdagavond om zeven uur. Dan had het Torentijd–koor een afspraak. De bewoners gingen voor hun raampjes staan en wachtten op de voorzanger. Die deed een dier na, snoeihard: Groink, groink! En dan volgden alle anderen: Groink, groink! Vervolgens een papegaai. En dan een koe, enzovoort. Uit honderden kelen, daar in die verder onbebouwde vlakte. Tot in de wijk zal het niet doorgedrongen zijn, maar ik was op mijn wandeling tamelijk dichtbij. Geweldig, wat was dat gaef! Je kon die lui goed begrijpen, want in Torentijd was het vast óók saai – het was tenslotte Dauwendaele, maar dan net wat anders.
Het zal wel snel verboden zijn, want na een of twee keer bleef het op vrijdagavond helaas stil. In elk geval een complimentje aan de organisator–voorzanger van destijds. Hopelijk leest hij thuis in alle rust deze column. Mooi man!
Jan Zwemer




















