
Column door Jan Zwemer: Oest
Algemeen 127 keer gelezen’t Land is van de boeren noe,
de wegt en aol, want ’t is oest.
Geên rust vò ’t roest en de toerist
mag kieke en mag wieke.
Dit gedichtje schreef ik, in het Zeeuws, een paar jaar geleden in deze tijd van het jaar. Nadat een vriend van me uit Middelburg, fietsend op de Zandvoortseweg, door iemand op een landbouwmachine de berm in was gejaagd in de drukte van de oogsttijd. Die vriend had zelf ooit nog in de landbouw gewerkt, maar toerist was hij niet. Dat woord kwam mooier uit – ‘dichterlijke vrijheid’.
In het minigedichtje staat ‘roest’ voor de landbouwmachines die eens per jaar van stal worden gehaald. Niet dat ze allemaal zo roestig zijn, maar ook dit woord paste hier goed. Ieder zijn vak. Ik met mijn schrijverij, de boeren met hun oogst. Dat ze het in de drukte over het algemeen netjes doen qua verkeer weet de gemiddelde plattelander wel. Zeker iemand die van buiten de dorpen afkomstig is.
Dat je in de auto soms wat verlaat bent omdat er een combine, een wagen met tarwe of een tankwagen met vloeibare mest voor je zit, kan toch geen probleem zijn. Laat ze maar lekker ‘rauzen’.
De boeren zijn al zo dikwijls de pineut. Ze hebben al last genoeg met de steeds stijgende temperaturen en, bijvoorbeeld, de daardoor ontstane droogte.
Tja, je hoort zelden nog van mensen die de klimaatverandering ontkennen. Dat een deel van de mensheid nog altijd doorgaat met verre vliegreizen en andere in feite gruwelijk luxe vormen van vrijetijdsbesteding, gaat me al jaren boven de pet. Wat dat betreft ben ik net zo dwars als sommige boeren ‘in den oest’.
Ik doe, om meer redenen overigens, niet mee met die waanzinnige consumptiecultuur.
Over ‘oogst’ gesproken: in de officiële ‘Geschiedenis van Zeeland’ (2014) gebruikte ik stiekem het Zeeuwse woord ‘gedorsen’ en niet het Nederlandse ‘gedorst’. Is dat nie dwa(r)s?




















